Leesfragment 'Alleen dapper te zijn'

De middag had iets stroperigs. De wielen van de bus kropen traag door het asfalt. Hoewel het al laat was, nam de warmte toe. Elke hap naar adem kneep de keel dicht. Zweet kwam uit lichaamsopeningen waarvan je niet wist dat ze er waren. Zelfs Ingrid lag languit op een bank, armen en benen gespreid om nog iets van lucht te voelen.Koen reed een eind van het asfalt vandaan het zand van de woestijn in. Het duurde niet lang meer tot de zon zou zakken achter de sinaasappelrode zandduinen in de verte. De wagen stopte en Koen kwam uit de cabine. ‘Laten we het kamp opzetten.’ Zweet sijpelde langs zijn slapen het gootje boven zijn sleutelbeen in. Sloom kwamen ze de wagen uit. Thijs klom het dak van de cabine op en Olga ging eronder staan om de stoeltjes aan te pakken. Hiltje wachtte tot Koen de grendels op de laadbakken had losgemaakt voordat ze de tenten eruit ging sjouwen. 
   Ingrid, nog in de bus, sprak Wouter vermanend toe: ‘Je moet meer water drinken. Dan hoef je ook geen hoofdpijn te krijgen.’ Ze rommelde in haar tas in het bagagerek. Wouter wachtte, een beetje met gebogen schouders, net een kind. ‘Waar heb ik de aspirine nou ook weer gelaten?’ 
   Simone bond zoals een Toeareg de oranjerode sjaal om haar hoofd die ze van Emma had gekregen en liep een eindje van de wagen vandaan om te zien waar ze het beste haar tent kon opzetten. Veel maakte het niet uit, zag ze. Overal waar ze keek, lag een fijnmazig en toch stevig soort geel zand. De wind had het opgestuwd tot over elkaar heen gedrapeerde schubben. Eventjes dwarrelden wat korrels loom in een niet-merkbare bries. Ze keek op naar de lucht. Vreemd dat de hemel zo helder was en dat het toch zo benauwd bleef. In een poging ergens een briesje te vinden, liep ze wat verder. Tevergeefs. Ze zuchtte, keek nog eens de verte in en sperde haar ogen. Aan de horizon, dicht tegen de aarde aan, kolkte een dik onstuimig geel wolkendek snel dichterbij. Het trok alle blauw uit de lucht, die eerst geel werd en toen vies bruin. In de verte klonk gedonder. De wollige wolken stegen op in wat een tunnel leek en… Zag ze dat goed? Was dat een paddenstoel? Angst, plotseling en heftig, gierde door haar lijf, nagelde haar aan de zanderige bodem. Het ging snel, veel te snel. Ze wilde bewegen, zich omdraaien, terug naar de Bedford rennen, maar ze kon niet. De wind loeide nu, geraas zwol aan. Ze zakte door haar knieën en probeerde zich te verstoppen in de sjaal. Alleen haar gezicht paste erin, verder niets. Achter gesloten oogleden zag ze hoe snel het nacht was. Zand schuurde over haar armen en benen, overal waar de huid onbedekt was. Ze huilde tranen van modder. Toen het ophield met schaven, de pijn afnam en de woestijn een deken over haar heen spreidde, dacht ze dat ze ging smelten in de intense hitte totdat ze besefte dat ze al gesmolten was en alles op zwart ging. 
   
   Het was heel stil om haar heen. Er klonk alleen gemompel. Donkere woorden, bijna grommen. Haar eigen gegrom, realiseerde ze zich. Het kleefde in haar ogen, ze kreeg ze niet open. Was het oorlog? De gedachte deed haar hart bonzen in haar keel. Haar ogen, uiteindelijk met moeite geopend, ontmoetten een met sterren bezaaide nacht. Ze bewoog haar armen en benen, schudde het zware zand van zich af. Het was koud. De stilte verontrustte haar. Wat bibberig ging ze staan en speurde ze het landschap af. Nergens iets of iemand te zien. Geen lichtjes. Geen oorlog. Het was alsof ze viel, in een niets, en bleef vallen.Dit was niet waar. Dit was een grap. Ze kon niet helemaal alleen zijn in een woestijn die negen miljoen vierkante kilometer groot was. Waar was iedereen? Ze begon te roepen. 
   ‘Koen… Thijs… Is daar iemand? Is daar iemand? Hallo…’ 
   Haar woorden bleken tandeloos in het fluweel van de nacht. Er kwam geen geluid terug. Ze ging lopen. Iets zei haar dat ze in beweging moest blijven. Ze waren echt niet zonder haar weggereden. Nee? Hoe wist ze dat zo zeker? Ze wilde toch zo graag alleen zijn? Zonder groep? Ze volgde een heldere ster waarvan ze de naam niet kende. Daar, dat steelpannetje, zeven sterren, was dat niet de Grote Beer? Waar ging het naartoe? Ze liep en liep en telde de sterren. Het stelde haar niet gerust. Het waren er te veel. Ze raakte ervan in de war. Ze was alleen. Verschrikkelijk alleen. Ha! Trouwe metgezel in haar leven, ware lotgenoot, de eenzaamheid. Hier durfde ze er wel voor uit te komen. Alles mocht je zijn: ongelukkig, verdrietig, boos en bang, maar niet eenzaam. Nooit. Als je dat ging toegeven, gingen deuren dicht in plaats van open. Dan was er niemand die jou nog uitnodigde voor een feestje, de film of wat dan ook. Of ze vroegen je uit medelijden. Ze beet nog liever haar tong af dan toe te geven dat de eenzaamheid haar aankleefde als een beest, een modderige slijmerige worm die in haar eerste levensuren steels langs de poten van haar wieg naar boven kronkelde tot naast haar klamme lijfje tussen de vochtige lakens. En nooit meer weggegaan. Nooit meer.
   Een herinnering flitste voorbij. Straattekenen op Koninginnedag. Ze tekende een vlag, rood-wit-blauw en met geel krijt een zon op het zwarte asfalt. Van de stralen maakte ze lange puntige gele slierten, slingers waren het bijna en ineens schoof er een schaduw over de zon. Ze keek op. Haar moeder zag ze nergens meer.
   Was toen niet het tellen begonnen? 
   Stop. Niet aan denken nu. De angst zat hoog in haar keel. Ze haalde diep en wat schokkerig adem. Het was een wolk geweest. Echt? Een paddenstoel. Nee, gekkie. Ze was zes en dwaalde door de stad. Elke bocht van straten, op pleinen, langs huizen, door een stad die haar kleiner en kleiner maakte, had ze geteld.Totdat een aardige meneer haar vond. Hij had hetzelfde accent als tante Joop. De man nam haar mee naar huis waar twee Indische tantes haar spekkoek voerden voordat hij haar thuisbracht.Emma was helemaal niet blij haar te zien. Haar moeder keek haar woedend aan. Hoe betrouwbaar waren herinneringen?  
   ‘Simone, je mag nooit nooit met vreemde mannen meegaan.’ 
   Hij liet haar hand los. Hoe kon ze zo stom stom stom zijn? Ze kon het wel uitschreeuwen van schaamte. 
   En dat was wat ze deed. Ze schreeuwde het uit totdat het hol was in haar borst en de ruimte zich snel opvulde met onmetelijke verlatenheid. Die zette nu eindelijk zijn triomf in en ging haar letterlijk vermoorden. Want daar liep het op uit. Nu nog niet. Straks wel. Haar keel schroeide, de huid op haar armen en benen schrijnde.
   Ik zal alles anders doen, ik zal van het leven houden, het omarmen, ik zal niet meer zo ondankbaar zijn… deed ze haar schietgebedje. Ze klom tegen een zandduin; en telde; op en er weer van af; en telde; op naar een nieuwe zandduin. Het zwart verdween uit de lucht, een bleekrode zon kwam langzaam op. Zonder dat ze het wist draaide ze rondjes, duizenden tellen lang.

Op een top gekomen dacht ze even dat ze een spookverschijning zag die daar aan de andere kant van de duin naar haar toe klom. Maar het was werkelijk Olga, die uitriep: ‘Godzijdank. Dat werd tijd.’
   Zonder te aarzelen vloog Simone om haar nek, een wat groezelige nek die rook naar oude soep van het vuil en zweet dat zich in de afgelopen uren had opgestapeld in bleke wijd uitstaande poriën. Het deerde haar niet.  
   ‘Je hebt me gered.’ Ze snikte, kon nog net haar tranen bedwingen. ‘Je hebt me gered, Olga.’
   Met lichte afkeer duwde de vrouw haar van zich af. ‘Ik heb je niet gered. God heeft je gered en daar mag je wel heel dankbaar voor zijn. Iedereen is je trouwens aan het zoeken.’ 
   Ze keek naar beneden waar de inmiddels zo vertrouwde Bedford stond. Er brandde een vuurtje en ze kon ernaast de omvang van Hiltje onderscheiden. Olga stond op haar tenen, zwaaide met twee handen hoog in de lucht en floot vervolgens onverwacht en schel op haar vingers.Koen liep met grote passen in tegenovergestelde richting een lage duinpan af. Thijs, die de opkomende zon tegemoet was gegaan, draaide zich om. Ingrid en Wouter, altijd eensgezind samen, waren alweer bijna bij de wagen of daar niet vandaan geweest.Ze huppelde de duin af. Waar net nog de eenzaamheid was, huisde nu de opluchting en een plotselinge warmte en liefde voor de mensen waar ze tot nu toe zo’n hekel aan had. Stralend ging ze op Hiltje af, die haar omhelzing met een flauwe glimlach beloonde. Thijs, oprecht enthousiast, pompte haar arm op en neer en gaf haar een wat verlegen zoen op de wang. Hij schudde zijn hoofd. 
   ‘Je wilt niet weten hoe ongerust we waren, Simone. Waar was je toen die zandstorm uitbrak?’ 
   ‘Je was niet in de buurt van de wagen,’ zei Ingrid verwijtend. ‘Daar hebben we met ons allen geschuild en jij was weer eens nergens te vinden.’ Met haar ogen zocht ze bevestiging van Wouter, die haar blik niet beantwoordde. In plaats daarvan legde hij een verzoenende hand op haar arm. 
   ‘Ik denk niet dat ze dit expres heeft gedaan, Ingrid. Zo leuk zal het niet zijn daar in je eentje. We zijn allemaal erg blij dat je weer terug bent, Simone.’ 
   Koen, verhit en ontstemd, zei niets en liep naar de cabine van de auto waar hij aandachtig de kaart bestudeerde. Besluiteloos stond ze bij het vuur. Haar overwinning was geen zege wanneer niet iedereen daaraan deelnam. Ze liep naar de cabine en stond stil naast het geopende raampje.Koen keek langzaam op van zijn kaart. 
   ‘Ik ben echt verschrikkelijk blij dat ik jullie gevonden heb,’ zei ze.
   ‘Waar was je, verdomme?’
   In haar borst welde een snik op. ‘Ik ben ook heel erg blij dat we met z’n allen nu weer verder kunnen.’
   ‘Wat had ik jouw ouders moeten vertellen? Nou? Verdwaald in de woestijn?’
   ‘Het spijt me. Ik weet het niet. Ik snap dat je ongerust was.’
   ‘Ongerust?’ Hij sloeg met de kaart op het dashbord. ‘Dat is nog zachtjes uitgedrukt.’ 
   ‘Oké. Woedend dan, weet ik veel… Hoe dacht jij dat ík me voelde? Hè? Ik wil jou wel eens zien, alleen in de Sahara. Dan voel je je heel erg eenzaam, hoor.’ 
   Koen keek haar een moment aan. Zijn trekken verzachtten zich. De harde lijn van zijn  mond trok weg ‘Je bent niet alleen,’ zei hij op milde toon. ‘Je bent echt niet alleen.’ 

 

« Iedereen wordt beter van leren in de praktijk Roman: Alleen dapper te zijn »